Vlaanderen moet inderdaad meer wegen op Europese besluitvorming

Door Karim Van Overmeire, Marc Hendrickx op 12 juli 2012, over deze onderwerpen: Buitenlandse Zaken

Minister-president Kris Peeters hield begin deze week, aan de vooravond van 11 juli, een terecht pleidooi voor een grotere rol voor Vlaanderen in de Europese besluitvorming. Nogmaals en zonder enige twijfel: terecht. Blijft dan natuurlijk de vraag hoe Vlaanderen hier op korte termijn concreet vooruitgang kan boeken? Komt er overleg met de federale overheid? Wat is de stand van zaken betreffende de sowieso broodnodige actualisering van het samenwerkingsakkoord tussen de federale overheid en de deelstaten, een samenwerkingsakkoord dat ondertussen al van 1994 dateert?

De N-VA vroeg de voorbije jaren al herhaaldelijk naar een actualisering van het samenwerkingsakkoord dat de rol van de deelstaten bij de Europese Unie uittekent en hoopt dat er op korte termijn ook concrete stappen kunnen worden gezet. N-VA-parlementslid Karim Van Overmeire zal minister-president Peeters ondervragen en daarbij nogmaals aandringen om de Interministeriële Conferentie Buitenlands Beleid (ICBB) snel bijeen te roepen.

België blokkeert
Het samenwerkingsakkoord van 1994 tussen de federale overheid en de deelstaten is achterhaald en aan herziening toe. Volgens minister-president Peeters mag federaal minister van Buitenlandse Zaken Didier Reynders het dossier niet langer blokkeren en moet hij de Interministeriële Conferentie voor Buitenlands Beleid samenroepen en het samenwerkingsakkoord herzien. Reynders reageerde laconiek. Volgens de Waalse liberaal zijn er veel EU-organen waar vandaag nooit een minister van een deelstaat aan tafel zit. En hoeft het te verbazen: voor Reynders zal Vlaanderen moeten betalen als het meer verantwoordelijkheid wil. Een spontaan ‘ja’ kunnen we de reactie van Reynders dus alleszins niet noemen.

Het debat over de noodzakelijke versterking van de rol van de deelstaten bij de Europese Unie is allesbehalve nieuw. De noodzaak om het samenwerkingsakkoord van 1994 in verband met de deelname van de deelstaten aan de EU-besluitvorming te herzien werd in de zomer van 2009 al opgenomen in het Vlaamse Regeerakkoord (2009-2014) en werd ondertussen ook herhaald in heel wat beleidsbrieven. Het thema komt ook met de regelmaat van een klok ter sprake in de commissie Buitenlands Beleid van het Vlaams Parlement. Maar van veel vooruitgang is, helaas, geen sprake.

Op initiatief van toenmalig Vlaams minister van Buitenlands Beleid, Geert Bourgeois, werd in 2005 (!) een evaluatie van het samenwerkingsakkoord gestart. Daarna volgde een lijst met aanbevelingen, startte in 2007 een nieuwe technische werkgroep en volgde er een ‘gentlemen’s agreement’ in 2008. Op het Overlegcomité van 16 december 2009 – met de federale en de deelstaatregeringen aan tafel - werd beslist dat het dossier op de eerstvolgende Interministeriële Conferentie Buitenlands Beleid (ICBB) zou worden geagendeerd. Zeg wel: “zou”. Want tot vandaag blijft het wachten op een nieuwe stap in dit dossier.

De vraag om het samenwerkingsakkoord van 1994 bij te sturen of te herzien is meer dan een technisch-institutioneel akkefietje. Zowel op vlak van de coördinatie als van de vertegenwoordiging zijn er cruciale stappen nodig. Vandaag is er te weinig informatiedoorstroming tussen het federale en het Vlaamse niveau. De deelstaten worden vaak allesbehalve transparant geïnformeerd over de werkzaamheden en over federaal (door België) ingenomen standpunten. Er zijn wel inspanningen geleverd, maar verbetering is zeker mogelijk. Daarnaast is de hoofdrol op het Europese forum vandaag nog veel te veel weggelegd voor de federale overheid. Het samenwerkingsakkoord van 1994 volgt allesbehalve de gevolgen van de verschillende staatshervormingen, laat staan dat het samenwerkingsakkoord ook de gewijzigde Europese context capteert.

De vraag van minister-president Peeters om het samenwerkingsakkoord te actualiseren is dus zonder meer terecht. Dit dossier sleept al veel te lang aan. En de eerste reactie van Belgisch minister Reynders doet dus opnieuw niet onmiddellijk een snelle doorbraak vermoeden.

In foro interno, in foro externo
De N-VA pleit voor een nieuw akkoord. Een akkoord dat aangepast is aan de nieuwe bevoegdheidsverdeling en staatsstructuur in dit land. Een akkoord dat ook het principe ‘in foro interno, in foro externo’ ten volle uitwerking geeft. Als Vlaanderen voor een concreet beleidsdomein ‘binnenlands’ bevoegd is, dan is Vlaanderen voor dat domein ook ‘buitenlands’ bevoegd. Een logica klaar als een klontje, maar voor behoudsgezinde belgicisten toch zo moeilijk te aanvaarden.

De N-VA vraagt dat Vlaanderen actief kan aanwezig zijn in alle geledingen van de Europese Raad, ook bij in informele Raden, inbegrepen een nauwere betrokkenheid van de regionale overheden als assessor. De N-VA vraagt dat de Vlaamse administratie en overheid haar capaciteit om in Europese dossiers aanwezig te zijn, duidelijk opvoert. Vlaanderen (dus: het Vlaams Parlement en de Vlaamse regering) moet nog scherper een Europese reflex ontwikkelen. Niet alleen bij het opmaken van de eigen Vlaamse regelgeving, maar ook bij het voortdurend monitoren van het Europese beleid dat in steeds groeiend volume wordt uitgezet.

Hoe waardevol vond je dit artikel?

Geef hier je persoonlijke score in
De gemiddelde score is