Over kasseibanen, slechte mensen en alcohol

Door Karim Van Overmeire op 11 oktober 2018, over deze onderwerpen: N-VA Aalst, Vlaams karakter, Vreemdelingenzaken & Inburgering

Wat doet een schepen van vreemdelingenzaken eigenlijk?

Bij wijze van verkiezingsstunt stelde het Vlaams Belang enkele dagen geleden de installatie van een ‘schepen van migratie’ voor. Dat lijkt me een prima idee: één schepen die bevoegd is voor alles wat migratie aangaat. Het idee is zelfs zo goed dat we het zes jaar geleden al in de praktijk gebracht hebben: bij het aantreden van de nieuwe bestuursploeg kreeg ik zowel de bevoegdheden ‘vreemdelingenzaken’ als ‘inburgering’ in mijn mandje. ‘Vreemdelingenzaken’ slaat op alles wat verblijfsdocumenten betreft. ‘Inburgering’ gaat dan weer over de initiatieven die integratie moeten bevorderen. Meer nog: de bevoegdheden van politie en OCMW zaten bij partijgenoten (respectievelijk Christoph D’Haese en Sarah Smeyers). Bijgevolg zaten alle instrumenten in één hand om het beleid te voeren dat we wilden. We gaan dus geen zwartepiet doorschuiven naar andere partijen.

Alleen stelt zich de vraag welke concrete maatregelen een stadsbestuur kan nemen om het fenomeen van de ‘spoorwegmigratie’ in te perken en in betere banen te leiden. Aan gekke voorstellen is er alvast geen gebrek. Een muur rond Aalst bouwen? De spoorlijn naar Brussel opblazen? Grenscontroles op de afrit van de autostrade? Illegalen over de grens met Affligem of Dendermonde zetten? Aan de toog klinkt het goed, en zeker na de derde Duvel worden de geesten echt creatief. Zo weet ik ook wel dat het gemiddelde geboortecijfer bij allochtonen hoger ligt dan bij de autochtone bevolking.  Ik heb echter geen idee wat ik daaraan zou kunnen doen. Zullen we een politieagent in elke slaapkamer zetten? Of keren we aanmoedigingspremies uit voor Vlaamse mannen die hun huiswerk maken? Maar u had over deze ernstige kwestie een ernstig artikel verwacht en dus stop ik met grappen en grollen.

Laat mij u confronteren met een paar ontnuchterende vaststellingen: Een stadsbestuur kan niemand ‘binnenlaten’ of ‘buitenhouden’. Zelfs een stadsbestuur dat volledig uit Vlaams Belangers zou bestaan, zou dat niet kunnen. Wie een huis koopt of een kamer huurt, en dus in Aalst komt wonen, moet daarvoor geen toestemming vragen aan het stadsbestuur. Je koopt of huurt eerst en komt daarna je domiciliewijziging melden. Het ideetje van een inschrijvingsstop is gebakken lucht. Zelfs indien je zou weigeren om nog nieuwe vreemdelingen in te schrijven en zelfs indien je niet door een rechtbank of een hogere overheid zou worden teruggefloten, dan kunnen mensen hier nog altijd verblijven zonder dat hun domicilie hier staat.

Domiciliefraude is een andere kwestie: daar kunnen we wel tegen optreden en dat doen we ook. Binnen het OCMW kwam er trouwens een specifieke antifraudecel om allerlei misbruiken tegen te gaan. In heel wat onderzochte dossiers werd fraude vastgesteld en het louter bestaan van de cel doet sommigen ook al twee keer nadenken. Door op te treden tegen misbruiken garanderen we dat de middelen gaan naar degenen die het echt nodig hebben. Vermoedens van schijnhuwelijken en schijn-samenwonen worden steevast aan het parket gemeld. De zaak komt dan soms tot voor de rechter. Deze week nog besliste het stadsbestuur tegen een vonnis in beroep te gaan. In een rechtstaat heb je je als lokale overheid natuurlijk uiteindelijk te schikken naar de uitspraak van een rechtbank. Daar zou ook een bestuur van enkel Vlaams Belangers niets kunnen aan veranderen.

Het is niet het stadsbestuur dat beslist of een asielaanvrager uiteindelijk het statuut van vluchteling krijgt en evenmin beslissen we over het al dan niet verlengen van verblijfsvergunningen. Dat gebeurt door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en door de Dienst Vreemdelingenzaken in Brussel. Als de wetgeving enige ruimte geeft aan de lokale overheid, kiezen we steeds voor de strengste optie. Zo zijn er maar weinig steden en gemeenten die een retributie vragen op de hernieuwing van verblijfsvergunningen (de zgn. ‘vreemdelingentaks’). Aalst is één van de gemeenten die dat wel doet.

Ook tegen het fenomeen van de zogenaamde ‘transmigranten’ – illegalen op weg naar Engeland – wordt kordaat opgetreden. Sinds het sluiten van een aantal snelwegparkings kiezen mensensmokkelaars ook onze stad uit om deze mensen in vrachtwagens te laten klimmen. U heeft zeker gelezen over de politieacties waarbij deze ‘transmigranten’ worden opgepakt en worden overgebracht naar het gesloten centrum in Steenokkerzeel.

Sinds de aanslagen door radicale moslims is er ook bijzondere aandacht voor het probleem van de radicalisering in onze stad. Er is in Aalst een speciale cel opgericht om potentiële probleemsituaties in de gaten te houden. We hebben ook een ambtenaar die optreedt als meldpunt en aanspreekpunt voor scholen en verenigingen die met radicalisering geconfronteerd worden. De geheimhoudingsplicht verbiedt mij om daar veel over te schrijven maar ik kan u verzekeren dat we met het grootste professionalisme optreden.

Op het vlak van integratie had ik de eerste maanden en zelfs jaren wel wat opkuiswerk. Mijn voorgangers waren de mening toegedaan dat er veel moest geknuffeld worden en dat ‘integratie’ erin bestaat dat wij ons moeten aanpassen aan de nieuwkomers. Zo stelde ik vast dat ambtenaren van de dienst integratie in opdracht van de moskee het papierwerk verrichtten voor het islamitische offerfeest: ze noteerden welke familie er welk schaap had meegebracht en wie er al betaald had. Ik ontdekte ook dat er door tussenkomst van socialistische kabinetten stiekem gratis lokalen voor taallessen Arabisch ter beschikking gesteld werden. Het spreekt voor zich dat ik onmiddellijk een einde maakte aan dat soort wantoestanden. De rituele slachtingen zijn ondertussen verboden en wie een lokaal wil voor ik-weet-niet-welke taalles, moet er zelf maar een huren zoals elke andere Aalsterse vereniging.

Ik heb ook komaf gemaakt met het systeem waarbij allerlei individuen en verenigingen zich opwerpen als zelfbenoemde ‘vertegenwoordigers’ van een gemeenschap. Mijn contacten met de inwoners van Baardegem of Nieuwerkerken verlopen ook niet via de pastoor van de parochie, dus zie ik niet goed in waarom een moskeevereniging of een orthodoxe pope zich als ‘de vertegenwoordiger’ van een bepaalde groep inwoners zou kunnen opwerpen. Als schepen van inburgering heb ik veel geïnvesteerd in rechtstreekse contacten met nieuwkomers. Ik heb vooral kunnen vaststellen dat veel van die mensen dezelfde bekommernis hebben als de autochtone Aalstenaars, zoals bijvoorbeeld verkeersveiligheid of nette straten. Ze moeten niet zo dringend ‘vertegenwoordigd’ worden door allerlei clubjes met een eigen agenda. Het is trouwens opvallend hoeveel nieuwkomers zich helemaal achter een streng maar rechtvaardig integratiebeleid scharen. Ik herinner me bijvoorbeeld een groep Afrikaanse vaders die kwam aandringen op een strenger taalbeleid op school omdat hun dochters door al die Franstalige vriendinnetjes uit Brussel worstelden met hun Nederlands.

De middelen voor integratie worden niet langer uitgegeven aan multiculturele feestjes, maar enkel aan projecten die een aantoonbaar rendement hebben: taalverwerving of toeleiding naar werk. Integratie betekent voor mij immers: de taal leren, een opleiding volgen, een job zoeken, aansluiten bij het bestaande verenigingsleven. Taalbubbels is een voorbeeld van een initiatief dat concrete resultaten boekt en dat voor iedereen voordeel oplevert. Elke zomervakantie krijgen ruim 150 anderstalige kinderen een taalbad. Dat zijn er drie keer zoveel als vroeger en de omkadering gebeurt veel professioneler. De deelname is betalend, want we verwachten ook van de ouders een engagement. Het nettoresultaat is dat de anderstalige kinderen die Taalbubbels volgen het nieuwe schooljaar met minder taalachterstand beginnen. Dat is goed voor de hele klas. Zo kan de juf weer voor alle kinderen aandacht hebben.

Daarnaast is het zaak om voortdurend alert te zijn. De ene keer is het een medewerkster die op eigen initiatief denkt dat ze varkensvlees op het menu van scholen en crèches moet schrappen ‘omdat er veel moslimkinderen zijn’. Een andere keer is er een voorstel om met een vrachtwagen van de stad ingezamelde hulpgoederen naar de illegalenkampen rond Calais te voeren. Dan weer moet je vaststellen dat er op een door de stad georganiseerde receptie plots geen alcohol meer wordt aangeboden ‘omdat er misschien ook moslims komen’. Of is er een plan om enkel voor allochtonen fietslessen te organiseren. Het vraagt een voortdurende waakzaamheid en soms al eens een stevig debat in het college om dat soort voorstellen af te blokken. In andere steden is het nog erger: daar worden de zwarte helpers van de sint plots ‘roetpieten’ of ‘kleurpieten’. In een stad als Gent stuurt het linkse stadsbestuur nepsollicitanten en nephuurders op de bevolking af om te controleren of er toch geen sprake is van ‘discriminatie’. Minstens één partij pleit hier in Aalst ook voor.

Ik kan nog wel even doorgaan, maar ik neem aan de boodschap duidelijk is voor iedereen die zo dapper is geweest om tot hier te lezen. Voor een problematiek die tientallen jaren lang scheef is gegroeid, bestaan er geen toveroplossingen. Echt waar: tovenaars bestaan enkel in sprookjes. Op een debat voor de Vlaamse Volksbeweging in juni van dit jaar moest Vlaams Belang-lijsttrekker Michel Van Brempt toegeven dat hij ook niet direct wist welke concrete en haalbare maatregelen er nog genomen zouden kunnen worden.

Ik kan heel goed begrijpen dat mensen overwegen om met hun stem ‘een signaal’ te geven. De meeste van die mensen zijn geen platte racisten. Ze willen wel uitdrukking geven aan een gevoel van te veel en te snel, van de controle te verliezen, van zich niet meer thuis te voelen in eigen land. Ik deel dat gevoel. Op 14 oktober bepalen we met zijn allen wat er in de volgende zes jaar na de verkiezingen gebeurt. De jongste tien jaar zijn bij het Vlaams Belang honderdduizenden kiezers vertrokken omdat de weg van de partij een doodlopend straatje bleek te zijn. En ja, de weg van de N-VA lijkt vaak meer op een hobbelige kasseiweg dan op een autostrade. Maar is dat een reden om opnieuw de doodlopende steeg in te rijden? De keuze is helaas niet tussen een kasseiweg of een autostrade, maar tussen een kasseiweg en een doodlopend straatje. De snelweg bestaat niet.

Ik heb de voorbije zes jaar geprobeerd om, samen met mijn N-VA-collega’s, de tanker te keren. Dat wil ik graag verder doen. Stap voor stap, dag na dag, centimeter na centimeter. Het was, eerlijk gezegd, soms een eenzame strijd. Zelfs voor mensen met een olifantenvel is het niet altijd prettig om keer op keer als ‘slechte mens’ te worden weggezet. Toch ben ik kandidaat om dit beleid verder te zetten omdat het mijn vaste overtuiging is dat een streng en rechtvaardig immigratiebeleid noodzakelijk is, willen we deze stad herkenbaar Aalsters en dit land herkenbaar Vlaams houden. Ik zet dit beleid enkel verder wanneer ik een duidelijk mandaat van de kiezer krijg. Want in een democratie beslist de kiezer en de kiezer heeft altijd gelijk.

Karim Van Overmeire

3de kandidaat N-VA Aalst

Hoe waardevol vond je dit artikel?

Geef hier je persoonlijke score in
De gemiddelde score is